BROEDERTWIST IN HET OOSTEN.
Uit: "de Groene Amsterdammer" door Jan van der Putten, 04-09-2004
CHINA IS HARD OP WEG DE TWEEDE
WERELDMACHT TE WORDEN. BONDGENOOT NOORD-KOREA ZIT DE CHINESE ASPIRATIES EVENWEL
HINDERLIJK IN DE WEG.
Het koninkrijk van krijgsheren Koguryo, in het noordoosten van Azië, omvatte een
groot deel van het Koreaanse schiereiland en een deel van Mantsjoerije. In 668
ging Koguryo ten onder. Dertienhonderd jaar later vlogen de Chinezen en
Zuid-Koreanen elkaar vanwege Koguryo in de haren. Die bizarre
diplomatiekhistorische rel, die net enigszins is gesust maar zeker niet
opgelost, is maar een klein onderdeel van een ingewikkeld internationaal spel
rond Noord-Korea. Een spel tekenend voor de opkomst van een nieuwe wereldmacht:
de Chinese Volksrepubliek.
Na de grote zeereiziger admiraal Zheng He (1371-1435), die waarschijnlijk zelfs
Amerika heeft ontdekt en de basis legde van wat een Chinees wereldrijk had
kunnen worden, is China notoir afwezig geweest van het wereldtoneel. Dat was een
anomalie: China is altijd het volkrijkste land van de wereld geweest. De 1,3
miljard Chinezen van nu vertegenwoordigen 22 procent van de mensheid. Maar de
meeste keizers wilden China liever op slot houden. Toen de Britten de Eerste
Opiumoorlog ontketenden hadden de mandarijnen in Peking geen verweer. China
dreigde de buit te worden van het westerse en Japanse kolonialisme.
De laatste keizerdynastie kwam bijna honderd jaar geleden ten val. Daarna viel
China ten prooi aan krijgsherengeweld, burgeroorlog en Japanse bezetting.
Mao Zedong gaf de Chinezen dan wel hun nationale trots en China zijn plaats in
de wereld terug, maar trok rond het land een bamboegordijn op. Daarachter voerde
hij de ene ideologische oorlog na de andere. Pas onder Deng Xiaoping begon het
moderne China gestalte te krijgen: een wilde markteconomie die floreert naast,
soms binnen een systeem van economisch dirigisme en van strenge politieke en
afnemende sociale controle.
Dat semi-postcommunistische systeem van vlees én vis heet officieel
«markteconomie met Chinese karakteristieken». Het heeft China en honderden
miljoenen Chinezen in recordtijd grondig veranderd, en dat is alleen nog maar
een begin. De tijd van isolement is radicaal voorbij. De uitdagingen en
problemen zijn enorm, maar het aloude China is, of we het leuk vinden of niet,
hard op weg het land van de toekomst te worden. Niet voor niets werd Deng vorige
week op zijn honderdste geboortedag met schallende fanfare herdacht.
Voor de snelle opkomst van China en de wereldwijde gevolgen ervan heeft het
Westen veel te weinig oog. Nog altijd wordt de wereldagenda immers bepaald door
Amerika en de grote conflicten waarin de Amerikanen als mondiale politiemannen
gemengd zijn. Daarom komen gebeurtenissen die niet op die agenda staan er in de
meeste westerse media bekaaid af. De onverbiddelijke verschuiving van het
wereldevenwicht richting Verre Oosten komt bij ons slecht in beeld. China’s
olympische stormloop is niemand ontgaan, maar die is slechts een
propagandistisch onderdeel van China’s opmars op vrijwel alle fronten.
Economisch breidt China zijn macht steeds verder uit. Het verzwelgt zijn eigen
en andermans grondstoffen en im- en exporteert als een bezetene. Oost-Azië,
Zuidoost-Azië en Australië raken economisch steeds meer verstrengeld met het
Rijk van het Midden. Dat gaat ten koste van de Verenigde Staten, die bondgenoten
als Japan, Zuid-Korea en Australië economisch steeds intiemer zien worden met
hun rivaal. China heeft de VS al verdrongen als de belangrijkste handelspartner
van Zuid-Korea en nog dit jaar zal hetzelfde gebeuren met Japan. Weldra zullen
ook de landen van Zuidoost-Azië meer handel drijven met China dan met de VS.
Peking heeft de regio een economische unie voorgesteld, die natuurlijk door de
Chinezen zal worden gedomineerd. In dit blok zal voor Amerika geen plaats zijn.
De economische mastodont heeft ook politieke ambities. Als regionale leider is
China bezig Japan te overvleugelen. Daarna wil het een wereldmacht worden en
minstens op voet van gelijkheid komen met de VS. Dat vereist een pragmatische
buitenlandse politiek. Ideologie is passé. Teken destijds: de maoïstische
guerrilla van Nepal hoeft op geen enkele steun te rekenen van het
postmaoïstische China. De buitenlandse politiek is gericht op bevordering en
handhaving van de stabiliteit in de regio, want in een omgeving van spanning en
chaos kan China niet gedijen. Economisch niet, en politiek evenmin, want
spanningshaarden wekken al snel de onwelkome aandacht van ’s werelds supermacht.
Het pragmatisme bepaalt dat Peking directe aanvaringen met Washington zoveel
mogelijk uit de weg gaat. De elfde september kwam China daarom bijzonder
gelegen. Plotseling had Washington geen tijd meer om zich op te maken voor een
confrontatie met het Gele Gevaar. China werd Bush bondgenoot in diens strijd
tegen het terrorisme, en smoorde daarmee in één klap de kritiek op de
onderdrukking van het moslimseparatisme in de eigen westelijke provincie Xinjiang.
Maar daarmee is de rivaliteit met de VS niet voorbij. De grote kwesties zoals Taiwan,
Tibet, het enorme Chinese handelsoverschot en mensenrechten, zijn geen van alle
opgelost. Voor de zekerheid heeft China met Rusland en vier Centraal-Aziatische
staten zijn eigen antiterroristische alliantie gevormd, de Shanghai
Samenwerkingsorganisatie. Dat de Amerikanen hard bezig zijn weg te zakken in het
Irakese en Afghaanse moeras is voor Peking goed nieuws. En intussen weten de
Chinese leiders de VS aan zich te binden door een hoofdrol te spelen in de
pogingen de slepende nucleaire crisis in Noord-Korea te regelen.
In het versteende communistische taalgebruik zijn China en Noord-Korea even
close als tanden en lippen. In 1950, aan het begin van de Koreaanse oorlog,
stuurde Mao een miljoen Chinese soldaten naar Noord-Korea. Die communistische
solidariteit was niet gespeend van eigenbelang: Mao wilde kost wat kost een
overwinning van Zuid-Korea vermijden, omdat anders het Amerikaanse leger tot de
Chinese grenzen zou oprukken. Sindsdien fungeert Noord-Korea voor China als
bufferstaat.
Maar Noord-Korea is voor China een hinderlijke bondgenoot geworden. Al een paar
jaar houdt Peking de Geliefde Leider Kim Jong-il voor dat hij naar Chinees
voorbeeld de economie moet opengooien wil hij politieke instabiliteit en nog
meer hongersnood vermijden. Er gebeurt wel iets: instelling van vrije
levensmiddelenmarkten, realistischer prijzen en lonen, inrichting van een kapitalistische
enclave voor Zuid-Koreaanse investeerders na het mislukte avontuur met de
Chinese Nederlander Yang Bin. Maar van een gedecideerde economische
liberalisering is geen sprake.
Een van de gevolgen van de economische nood en de politieke onderdrukking is de
stroom van Noord-Koreaanse vluchtelingen naar China. Er zijn er nu naar
schatting driehonderdduizend, de meeste in Mantsjoerije, waar een Koreaanse
minderheid woont. Peking erkent hun vluchtelingenstatus niet. Volgens een
Chinees-Noord-Koreaans verdrag moeten vluchtelingen worden gerepatrieerd.
Regelmatig zijn er, soms met Noord-Koreaanse politiehulp, razzia’s om
vluchtelingen op te pakken en uit te leveren aan hun vaderland, waar vaak
opsluiting en foltering wachten.
Veel Noord-Koreaanse vluchtelingen weten echter via ambassades, consulaten of
clandestiene hulporganisaties hun weg naar het beloofde land te vinden:
Zuid-Korea. Vorige maand kwam daar via China en Vietnam een groep aan van 468
Noord-Koreanen, een record. Noord-Korea was razend: de Zuid-Koreaanse
autoriteiten die de overtocht hadden georganiseerd, werden ontmaskerd als
«boosaardige terroristen». Vietnam besloot de illegalen terug te sturen naar
China, en China werd er opnieuw pijnlijk aan herinnerd dat de
kwestie "Noord-Korea" moet worden geregeld voordat de Noord-Koreaanse
vluchtelingenstroom niet meer in te dammen is.
De lippen en tanden zijn uit elkaar gegroeid. China vindt dat zijn protégé
fossiliseringsverschijnselen vertoont. Het moet niets hebben van Noord-Korea's
nucleaire avonturen, die een uitnodiging zijn voor Amerikaans ingrijpen. Maar
het heeft begrip voor de overwegingen van de Geliefde Leider, die uit angst voor
een Amerikaanse aanval nucleaire wapens achter de hand wil houden. Overigens
twijfelt Peking of Noord-Korea al over die wapens beschikt. In elk geval wil
China alles doen om het gebruik van Noord-Koreaanse atoomwapens te voorkomen.
Een kernoorlog aan hun grens is wel het laatste wat de Chinese leiders willen.
Waar is Noord-Korea op uit? In het ergste geval: deviezen verdienen met de
verkoop van raketten en atoombommen aan terroristische organisaties. In het
beste geval: de overleving van het regime verzekeren dankzij het
afschrikwekkende effect dat uitgaat van het bezit van kernbommen. Tot nu toe is
de Geliefde Leider daarin aardig geslaagd, dankzij zijn beproefde
onderhandelingstactieken: schelden en tieren, de inzet steeds verhogen, riskante
confrontaties aangaan, toezeggingen doen en weer intrekken, dreigen met raketten
en atoombommen, en aan alle concessies een gepeperd prijskaartje hangen. Saddam
Hoessein had veel van hem kunnen leren.
Vanwege Irak en Afghanistan hebben de VS voor Noord-Korea geen tijd. Bovendien
bleken alle pogingen om bilaterale onderhandelingen tussen Washington en
Pyongyang te beginnen, doodgeboren. China heeft Washington sterk aan zich
verplicht door zich aan het hoofd te stellen van een multilateraal
onderhandelingsproces. Daarbij zijn zes landen betrokken: de beide Korea’s, de
VS, China, Japan en Rusland. Er zijn nu in Peking drie onderhandelingsrondes
gehouden. Ze waren alle drie vruchteloos. Eind deze week zou de vierde ronde
moeten plaatsvinden, maar de kans dat die doorgaat is gering sinds Noord-Korea
Bush een «imbeciel» noemde en «een tiran die Hitler in de schaduw stelt».
Ongetwijfeld zal de impasse voortduren tot na de Amerikaanse
presidentsverkiezingen, wanneer de Geliefde Leider weet of hij te maken krijgt
met Kerry of met Bush II.
Peking is vooralsnog tegen de oplossing van de haviken in Washington: "regime
verandering in Pyongyang". En het vindt dat Kim Jong-il niet eerst met de billen bloot
moet, zoals de Amerikanen willen, voordat hij beloond wordt voor de ontmanteling
van zijn nucleaire installaties. De Chinezen zijn nog altijd bang voor de
risico’s die de absorptie van Noord-Korea door het Zuiden met zich mee zou
brengen. Maar hun overtuiging dat een instorting van Noord-Korea onaanvaardbaar
is en een Koreaanse hereniging uit den boze, begint zwakker te worden. Dat komt
voor een belangrijk deel door China’s steeds hechtere banden met Zuid-Korea. Het
nieuwe China is immers niet bang meer voor besmetting door het kapitalisme,
integendeel, het denkt er alleen maar zijn voordeel mee te kunnen doen. Een
bufferstaat is voor China dus niet meer zo nodig.
Teken aan de wand: in het Chinese tijdschrift Strategie en management krijgt
Noord-Korea er van langs voor zijn ondankbaarheid voor de Chinese hulp. In de
Chinese pers verschijnt zelden iets wat niet de goedkeuring heeft van de
autoriteiten. Voor straf schortte Noord-Korea het bezoek van Chinese toeristen
op. Een ander teken is de ruzie tussen China en Zuid-Korea over het oude
koninkrijk Koguryo. Volgens een Chinese studie was Koguryo een Chinese
vazalstaat. In april verdween Koguryo van de internetsite van het Chinese
ministerie van Buitenlandse Zaken over de Koreaanse geschiedenis. In Zuid-Korea
is dat opgevat als een indirecte manier om de Chinese aanspraken op Noord-Korea
te verwoorden. Voor het geval het met Kim Jong-il slecht afloopt.