ECONOMIE
Inleiding
China is altijd een arm land geweest. Het inkomen per hoofd van de
bevolking werd in 1952 op $57 geschat en voor 1997 werd het
nationaal product per
hoofd op $620 geschat. De individuele
consumptiestijging is tot voor kort zeer beperkt gebleven. Wel zijn
met een belangrijk deel van de besparingen de collectieve
voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, enz.)
gefinancierd. China is nog steeds een overwegend agrarisch land;
naar schatting (2001) werkt ca. 50% van de beroepsbevolking in de
landbouw en ca. 50% in industrie, handel, transport en bij het
bestuur. De huisnijverheid is nog steeds hoog ontwikkeld en een
kleine industrie, met eenvoudige middelen bedreven, behoren tot het
traditionele systeem. In de 19de eeuw werd er voorzichtig begonnen
met modernisering. In kuststeden als Shanghai, Tianjin, Hankou en
Kanton werd door westerse en Japanse ondernemers een lichte
industrie opgebouwd. In Mantsjoerije werd door Japan, op grond van
daar gevonden kolen en ijzererts, een zware industrie gesticht, die
nu nog steeds de ruggengraat van de moderne Chinese economie
uitmaakt. Deze nieuwe activiteiten beroerden echter slechts kleine
gebieden, omdat men in het westen dacht dat China over te weinig
natuurlijke hulpbronnen beschikte die voor de wereldeconomie van
belang was.
De buitenlandse handel was zeer bescheiden en de uitvoer bestond
voornamelijk uit agrarische producten en wat metalen. Van 1949 tot
1952 had de wederopbouw plaats van het productieapparaat, dat in de
oorlog tegen Japan (1937-1945) en daarna in de burgeroorlog zwaar
had geleden. Het bestrijden van de inflatie was zeer succesvol in
deze periode.
In 1953 ging het eerste vijfjarenplan van start, met de nadruk op de
ontwikkeling van de zware industrie. Volgens de officiële opgaven
groeide de economie in de periode 1953-1957 met ca. 8,3% per jaar.
Voor de volgende vijfjarenplannen (zes tussen 1958 en 1990) zijn
slechts vage bijzonderheden over de doelstellingen verschaft,
waarbij wel duidelijk is dat de sectoren landbouw en industrie als
zwaartepunten werden beschouwd, het zogenaamde 'lopen op twee
benen'. Het Grote Sprong Voorwaarts-programma (1958-1960), waarin
geprobeerd werd de groei van de moderne en traditionele sectoren te
versnellen, mislukte totaal, o.a. door misoogsten en de stopzetting van de hulp
van de Sovjet-Unie in 1960.
Ook de Culturele Revolutie (1966-1969), waarbij getracht werd de
door Mao gepreekte permanente revolutie te zuiveren van
'kapitalistische' en 'revisionistische' smetten, had een negatieve
invloed op de economische ontwikkeling, o.a. als gevolg van de
ontwrichting van het vervoer en de doorbetaling van lonen en
premies, terwijl er in de bedrijven vaak alleen maar politieke
discussies werden gevoerd en het werk stil lag.
Sinds de dood van Mao in september 1976 wordt naar politieke
stabiliteit gestreefd en wordt een pragmatische economische politiek
gevolgd. Conjuncturele oververhitting en structuurproblemen van een
economisch systeem in overgang karakteriseren de recente
ontwikkelingen.
Sinds 1990 wordt de economie in een snel tempo - vooral in de
kustprovincies - geliberaliseerd en geprivatiseerd. De hoge
economische groei liep als gevolg van de Aziatische crisis terug tot
naar schatting 6,5%.
De Chinese economie werd in 2003 hard geraakt door de uitbraak van
de gevaarlijke longziekte SARS. De economische groei in het tweede
kwartaal van 2003 bedroeg 6,7%, het laagste groeitempo sinds 1992.
SARS had vooral invloed op de dienstensector en het
passagiersvervoer, dat zowel over land als via de lucht drastisch
afnam.
China: regionale
productie
BEIJING: chemicaliën, auto’s, machines, metallurgie, textiel en
elektronica.
BINNEN MONGOLIË: veeteelt, bosbouw, akkerbouw, voedselverwerking,
raffinage van grondstoffen, diverse lichte industrieën.
HEILONGJIANG: olie, steenkool, staal, zware machines, papier,
voedingsmiddelen, farmacie.
LIAONING: petrochemie, metallurgie, machines, elektronica, schepen,
bouw-materialen, luchtvaart.
JILIN: landbouw, auto’s, chemie, ijzer, staal, non-ferro, olie,
voedingsmiddelen.
HEBEI: graan, katoen, glas, textiel, machines.
TIANJIN: petrochemie, auto’s, auto-onderdelen, metallurgie,
elektronica, staal.
SHANDONG: staal, steenkool, petrochemie, bouwmaterialen,
consumenten- elektronica, textiel, graan, rijst, maïs, visserij.
JIANGSU: machines, textiel, elektronische componenten, eindproducten
en metaalhalffabrikaten, voedselverwerking, petrochemie,
elektronica.
SHANHAI: financieel- en dienstencentrum, auto’s, petrochemie,
elektronica, ijzer, staal, zware machines, elektrische apparaten.
ZHEJIANG: havens, schoenen, kleding, plastic speelgoed, kleine
huishoudelijke artikelen, chemie, telecommunicatieapparatuur,
machines, citrusvruchten, zijderupsen, thee.
FUJIAN: havens, voedselverwerking, textiel, elektronische
halffabrikaten, petrochemie, auto’s, bouwmaterialen, elektronica,
landbouwproducten.
GUANGDONG: assemblage, elektronica, speelgoed, kleding.
HAINAN: koffie, thee, rubber, kokosnoten, suikerriet, peper,
metaalbewerking, petrochemie, farmacie, chemie, voedselverwerking,
elektronica.
GUANGXI: fruit, suikerriet, bananen, non-ferroproducten,
bouwmaterialen, textiel, kolen, ijzer, staal.
GUIZHOU: landbouw, tabak, kolen, diverse mineralen.
JIANGXI: hout, bamboe, textiel, papier, chemie, elektronica.
YUNNAN: landbouw, tabak, suiker, koffie, koper, zinksmelterijen.
SICHUAN: energie, metaal, mijnbouw, chemie, machines, luchtvaart,
ruimtevaart, elektronica, graan, varkens, natuurlijke olie,
medicinale kruiden, raapzaad, katoen, suiker, thee, sinaasappelen,
natuurlijke zijde, houtolie, ijzer, staal, machines, elektrische
machines,.
CHONGQING: machines, chemie, metallurgie, textiel, elektriciteit,
elektronica,
SHAANXI: machines, textiel, vliegtuigen, elektronica, militaire
producten.
SHANXI: kolen, ijzer, cokes, chemie.
HENAN: graan, katoen, tabak, goud, kolen.
HUNAN: rijst, antimonium, wolfram, fluoride, loos, zink, grafiet,
kwik, machines, Landbouwvoertuigen, locomotieven, zware
gereedschappen, kunstmest, cement.
HUBEI: staal, auto’s, mechanica, bouwmaterialen, chemicaliën,
textiel.
TIBET: veeteelt, toerisme.
QINGHAI: petrochemie, chemie, textiel, metaalbewerking, leer,
machines.
XINGJIANG: katoen, olie, aardgas.
NINGXIA: steenkool, graan, olie.
GANSU: nikkel, platina, olie, steenkool.
LANDBOUW
De landbouw vervult nog steeds een zeer belangrijke rol in China,
hoewel maar 10% van China’s oppervlakte geschikt is voor
landbouwdoeleinden.
Naast
het kleine landbouwareaal kent de landbouwsector nog vele problemen:
de landbouwgrond per bedrijf is eigenlijk veel te klein (gemiddeld
0,1 ha), er heerst een hoge werkloosheid, er zijn onvoldoende
opslag- en distributiefaciliteiten, landbouwgrond wordt verloren aan
urbanisatie en woestijnvorming, er is waterschaarste en gebrek aan
onderzoek. Ten slotte wordt de Chinese landbouw regelmatig
geteisterd door natuurgeweld. Veel geld wordt gestoken in een
biotechnologieprogramma voor de ontwikkeling van landbouwproducten
met een hogere opbrengst of die veel beter bestand zijn tegen
ziekten. Tevens hoopt men hierdoor zelfvoorzienend te blijven in de
landbouwproductie. Er worden ook weer pogingen ondernomen om te
komen tot een hernieuwde collectivisering om de schaalvergroting van
de boerenbedrijven te realiseren.
Eind 1956 werkte nog meer dan 90% van de boeren in collectieve
bedrijven. Op dit moment zijn er meer dan 2000 staatsboerderijen met
een gemiddelde oppervlakte van 2300 ha.
De werknemers op deze bedrijven weten een 30% hoger inkomen te
realiseren vergeleken met hun collega’s van de familiebedrijfjes.
China heeft drie belangrijke landbouwgebieden:
-het gebied ten zuiden van de Yangtze, waar overvloedige regen valt
en twee keer per jaar rijst geoogst kan worden. Verder wordt hier
tarwe, jute, suikerriet en subtropische producten verbouwd.
-het gebied tussen de Yangtze en de Gele Rivier (Huang-He) waar ook
twee keer per jaar rijst en tarwe geoogst kan worden.
-het gebied in het noorden, waar door het drogere klimaat maar eén
tarweoogst per jaar mogelijk is.
Van de voedselgranen is rijst het belangrijkst, gevolgd door tarwe,
maïs en andere granen (kanliang, een soort sorghum, gierst en gerst)
en knolvruchten. Hoewel China nog steeds graan invoert, is de import
sinds de landbouwhervormingen sterk gereduceerd.
Vanaf het begin van de jaren tachtig wordt de katoensector speciaal
gestimuleerd, onder andere door ook hier prijshervormingen door te
voeren en meer vrijheid toe te staan in de planning van de oogst.
Het gevolg is een toename geweest van 22% in het katoenareaal en een
productieverhoging van 72%. Katoen is het voornaamste handelsgewas
en grondstof voor de exporterende industrie en wordt zowel in Zuid-
als in Noord-China geteeld. Naast katoen is ook de productie van
agrarische industriële gewassen, zoals sojabonen, suiker, aardnoten,
raapzaad en sesam, aanzienlijk gestegen, hoewel ook van deze
producten vaak nog grote hoeveelheden worden geïmporteerd.
Tot China's cultuurgewassen behoren verder: thee (met name uit het
zuidoosten), tabak (Midden-China en het zuiden), moerbeien,
sinaasappelen, kamfer en gember (uit het zuiden). Verder is sterke
nadruk gelegd op diversificatie in de agrarische sector, door zich
ook met name op bosbouw en veehouderij te richten.
Veehouderij, bosbouw en
visserij
Door de grote aandacht voor de akkerbouw is de ontwikkeling van de
veehouderij achtergebleven. Toch neemt het belang van de veehouderij
steeds verder toe. Van het landbouwgebied is 55% grasland, en sinds
1979 groeit de veehouderij sneller dan de akkerbouw. Koeien,
paarden, buffels en yaks worden voornamelijk geweid op de enorme
grassteppen die zich uitstrekken van de noordoostelijke vlakte via
Binnen-Mongolië tot het westen en zuidwesten.
De in geheel China meest voorkomende vorm van veehouderij is de
fokkerij van kleinvee, met name varkens (China heeft de grootste
varkensstapel ter wereld).
Tussen 1949 en 1994 zou de veestapel ongeveer zijn vervijfvoudigd
(van 160 miljoen naar 778 miljoen stuks vee), terwijl in het
laatstgenoemde jaar 1,3 miljard stuks pluimvee werden gehouden,
vrijwel uitsluitend op de eigen grond van de boeren. Het meeste vee
in China doet dienst als last- en trekdier, want de meeste Chinezen
eten vrijwel geen zuivelproducten.
De belangrijkste bosgebieden van China liggen in het noordoosten, en
tungolie en teakhout zijn de voornaamste producten. Door vele eeuwen
roofbouw en illegale houtkap is grote schade toegebracht aan het
bosbestand. Sinds 1949 is ca. 86 miljoen ha land herbebost. Slechts
een derde hiervan heeft het echter overleefd. Het totaal beboste
areaal bedraagt 128 miljoen ha (13,4% van China).
De overheid, die eindelijk inzag wat voor geweldige schade de erosie
aan het land toebracht, heeft zich ten doel gesteld in het jaar 2000
de bosoppervlakte vergroot te hebben tot 20% van de totale
oppervlakte. Met buitenlandse hulp is het Chinese bosareaal sinds
1997 weer behoorlijk toegenomen. Sinds kort is de houtkap van
bijzondere boomsoorten verboden.
De visserij wordt intensief beoefend op de meeste binnenwateren (ca.
5 miljoen ha) en langs nagenoeg de hele kust.
Ook veel huishoudens houden zich bezig met het kweken van vis en/of
met visvangst.
MIJNBOUW EN
ENERGIEVOORZIENING
MIJNBOUW
Als een van de weinige landen ter wereld beschikt China over alle
voorkomende typen mineralen in de wereld, die trouwens allemaal
staatsbezit zijn. Zowel staatsbedrijven als privé-bedrijven betalen
een vast percentage over de jaarlijkse inkomsten, in ruil voor het
mogen exploiteren en exploreren van de minerale rijkdommen.
Wat de voorraden delfstoffen betreft, heeft China de grootste
reserve ter wereld. Zo wordt de reserve aan kolen in China geschat
op meer dan een biljoen ton, hoewel de kwaliteit in vele streken
veel te wensen overlaat. Op dit moment wordt nog ongeveer driekwart
van de binnenlandse energiebehoefte door kolen gedekt. De
belangrijkste kolencentra liggen in de provincies Hebei, Shanxi,
Shandong, Jilin en Anhui; de totale productie bedroeg in 1994 1212
miljoen ton, waardoor China tot de grootste drie kolenproducerende
landen ter wereld behoorde.
Grote voorraden ijzererts bevinden zich o.a. in de provincies Shanxi,
Hebei en Shandong. De reserves worden geschat op 496 miljard ton.
Sinds 1996 is China de grootste producent van ruw staal ter wereld.
Het grote probleem is echter dat de ijzerertsreserves van lage
kwaliteit zijn, waardoor ook het geproduceerde ijzer en staal van
slechte kwaliteit is, en nauwelijks van waarde voor de export. Het
is dan ook niet vreemd dat er jaarlijks nog miljoenen tonnen aan
diverse soorten staal geïmporteerd moeten worden. Om de productie te
verbeteren en te optimaliseren worden de vele kleine ijzer- en
staalfabrieken gesloten en is het uiteindelijk de bedoeling om te
komen tot maar zes grote conglomeraten. Zij moeten op de
internationale markt gaan opereren en gaan concurreren met
Zuidoost-Aziatische en Westerse staalbedrijven.
Voor o.a. wolfraam, antimoon, titanium, tantalium en zware fluoriet
wordt China geacht de grootste reserves ter wereld te bezitten. De
exploitatie van niet-ijzerhoudende metalen blijkt echter moeilijk,
gezien de grote hoeveelheden die hiervan moesten worden ingevoerd in
de tweede helft van de jaren zeventig (o.a. koper, aluminium, nikkel
en lood). China is een belangrijke producent en exporteur van
titanium, maar ook van zeldzame metalen als vanadium, germanium,
gallium en polykristallijne siliconen.
In 1994 bedroeg de productie van ruwe aardolie 148 miljoen ton. De
offshore-winning in de Golf van Bohai in de buurt van Tianjin, waar
al in 1975 olie werd gewonnen, blijkt bescheiden van omvang.
Schattingen over aardoliereserves lopen zeer uiteen. Men gaat uit
van een vastelandreserve van vele miljarden tonnen en een even grote
reserve voor de kust. De tot nog toe geproduceerde aardolie bevat
een hoog gehalte aan paraffine of was, wat de winning en raffinage
een kostbare zaak maakt. De petrochemische industrie is zeer
belangrijk voor China, zowel voor de staatskas als voor de
leveranties aan veel industrietakken. Op dit moment kan men de
binnenlandse vraag niet aan en is daardoor gedwongen om veel
petrochemische producten te importeren.
Aardgasvelden bevinden zich bij Kanton (Guangzhou), Shanghai en in
de provincie Sichuan, maar erg veel wordt er niet geproduceerd. De
gasproductie vertoonde in 1979 een piek, waarna de winning tot 1984
met 15% daalde. Men schatte toen dat het aardgasveld met 20% was
afgenomen. De meeste winning vindt plaats in Sichuan en in totaal
bedraagt de aardgasvoorraad ca. 400 biljoen kubieke meter.
Verder wordt tin, molybdeen, mangaan, lood, zink en bauxiet
gewonnen. De Chinese bodem bevat ook aanzienlijke hoeveelheden goud,
platina, nikkel, titaan, grafiet, fosfor, vloeispaat en kwik.
Daarnaast zijn asbest, zwavel, zout en fosfaat van enige betekenis.
ENERGIEVOORZIENING
Door de snelle economische groei in China zal het energieverbruik in
de komende decennia in een hoog tempo toenemen. In 2001 werd 1,21
miljard ton SCE (Standard Coal Equivalent) energie geproduceerd.
Steenkool droeg daaraan bij met 68%, aardolie 20,2%, aardgas 3,4% en
waterkracht 8,4%.
Het energieverbruik bedroeg 1,32 miljard ton SCE, waarvan 67,5%
steenkool, 23,5% aardolie, 2,5% aardgas en 6,9% waterkracht.
De energiesector staat grotendeels onder controle van
staatsbedrijven. In het tiende vijfjarenplan (2001-2005) wil China
zijn energievoorziening reorganiseren. Men is van plan om voor eind
2005 het aandeel van steenkool in niet-duurzame energie met 3,9% te
verlagen. Het aandeel van aardgas en waterkracht moet dan met 5,6%
verhoogd zijn.
De olie- en aardgasreserves zijn op dit moment niet voldoende om de
binnenlandse vraag te dekken en olie en aardgas worden steeds meer
geïmporteerd.
Voor wat betreft windenergie zijn er in het tiende vijfjarenplan
weinig concrete plannen opgenomen. Eind 2001 had China 27
windenergiecentrales, goed voor een geïnstalleerd vermogen van bijna
400.000 kW.
Zonne-energie lijkt meer kansen te hebben, met name in het westen
van het land. Men is van plan om daar meer dan 200 miljoen dollar te
investeren. Het zonne-energiegebruik is de laatste vijf jaar
gemiddeld met 30% per jaar gestegen.
Waterkracht is in de verre toekomst de meest veelbelovende manier om
niet meer van steenkool afhankelijk hoeven te zijn. China heeft een
zeer groot potentieel en het streven is om een kwart van de totale
energiebehoefte door waterkracht op te wekken.
IDUSTRIE
Na 1958 zijn geen officiële cijfers gepubliceerd, maar uit
incidentele gegevens en indexcijfers die af en toe zijn verstrekt,
kan worden afgeleid dat grote vooruitgang is geboekt.
Net als in de landbouw hebben in de industrie hervormingen
plaatsgevonden. Doordat sinds de invoering van het contractsysteem
met minder mensen meer wordt geproduceerd, dreigde op het Chinese
platteland een zeer grote werkloosheid te ontstaan. Vestiging van
industriële bedrijven in agrarische gebieden kon hier een oplossing
bieden. Sinds 1978 zijn bijna 50 miljoen Chinese boeren
tewerkgesteld in plattelandsbedrijven en in toeleveringsbedrijven
voor de stedelijke industrie. In gebieden rond de grote steden,
zoals Beijing, werkt 80% van de plattelandsbevolking al buiten de
landbouwsector.
De huidige politiek is gericht op het scheppen van een nieuwe klasse
van ondernemers, handelaren en managers. Zo zijn in de loop van de
jaren tachtig de mogelijkheden voor individuele ondernemers om een
eigen bedrijf op het platteland te beginnen of om een bestaand
collectief bedrijf over te nemen aanzienlijk toegenomen. De
hervormingen zijn er verder op gericht de reeds bestaande rurale
industriële bedrijven te verzelfstandigen.
De instelling van de Speciale Economische Zones (SEZ's) waarin
geëxperimenteerd
wordt met nieuwe managementtechnieken, marktverhoudingen en
arbeidsrelaties, is te beschouwen als een onderdeel van de
open-deurpolitiek. De SEZ's moeten buitenlandse investeringen
aantrekken voor exportgerichte technologisch hoogwaardige
industrieën. Weliswaar is een aantal vormen van liberalisering van
de Chinese economische betrekkingen met het buitenland doorgevoerd,
deze gaan echter samen met de handhaving en soms versterking van een
protectionistische politiek die gericht is op de ontwikkeling en
modernisering van de eigen handel en industrie.
In 1994 was het aandeel van de Chinese industrie in het nationaal
inkomen beduidend groter dan dat van de landbouw (47% resp. 21% van
het nationaal inkomen). Bovendien overtreft de totale waarde van de
door de plattelandsindustrie voortgebrachte productie die van het
agrarisch bedrijf. Wel werkte in 1993 nog steeds een groot aandeel
van de werkbevolking in de landbouw: 61%, terwijl ca. 18% in de
industrie en 21% in de andere sectoren werkzaam was.
De decentralisatie van industriële complexen begon al lang voor de
plattelandshervormingen. Deels is dit geschied om het
transportsysteem te ontlasten, deels uit strategische overwegingen.
Bij de gedecentraliseerde industrialisatie op provincie- en
districtsniveau werd eveneens getracht de bedrijfsgrootte aan te
passen aan lokale omstandigheden, waarbij werd gelet op aanwezige
grondstoffen, technologie en kennis. Zo is bekend dat in 1976 de
helft van de industriële productie afkomstig was van betrekkelijk
kleine bedrijven; voor de elektriciteit- en kolenproductie bedroeg
dit aandeel eenderde, voor kunstmest 70% en voor cement 60% van de
totale productie.
De industrie is overwegend geconcentreerd in het noordoosten en in
de gebieden Peking-Tianjin en Shanghai-Nanjing, in mindere mate in
Midden-China, in het Sichuanbekken, alsmede hier en daar in het
zuiden. Het belangrijkste centrum van de lichte industrie (o.a.
textielbedrijven) die men verder in alle provincies vindt, is
Shanghai. Naast de textielnijverheid zijn de staal- en
machine-industrie belangrijk. De kwaliteit van de industriële
productie is regelmatig verbeterd en de verscheidenheid verruimd.
TEXTIELINDUSTRIE
China is de grootste kleding- en textielproducent ter wereld, en
deze sector levert een belangrijke bijdrage aan China’s totale
uitvoer. Dit komt onder andere door de lage loonkosten, wat een
sterke concurrentiepositie oplevert. Als de inefficiëntie en de
bureaucratie verminderd kunnen worden en tegelijkertijd de
transportfaciliteiten en het technologisch niveau verbeterd worden,
dan wordt China een nog veel grotere speler op de wereldmarkt. De
belangrijkste kledingindustrieën bevinden zich in Guangzhou,
Hangzhou (o.a. zijde), Suzhou (o.a. zijde) en Dalian.
China heeft sinds een aantal jaren zelfs een eigen mode-industrie:
van ontwerp tot eindproduct. Chinese modeontwerpers en modehuizen
voeren hun eigen merken en modelijnen.
Veel internationale topmerken hebben vaak winkels in grote hotels,
grote winkelcentra of verkopen hun kleding via warenhuizen. De
belangrijkste modebeurzen zijn in Beijing en Dalian.
TRANSPORTMIDDELENINDUSTRIE
AUTO-INDUSTRIE
Het aantal geproduceerde voertuigen in China zelf bedroeg in 2002
3,25 miljoen stuks (verwachting 2003: 3,9 miljoen). De Chinese
auto-industrie staat in Azië, na Japan op de tweede plaats op de
ranglijst van belangrijkste personenwagenproducenten.
Volkswagen beheerst de markt met 40%, gevolgd door Peugeot-Citroën,
Daihatsu, Honda en General Motors. De belangrijkste Chinese
autofabrikanten zijn First Automotive Work, Shanghai Automotive
Industry en Dongfeng Motor.
Er zijn 6,3 auto’s op 1000 mensen, en daarmee scoort China de
laagste autodichtheid in Azië.
In de Chinese auto-industrie werken meer dan 1,5 miljoen werknemers,
waarvan ca. 730.000 in de sector auto-onderdelen.
VLIEGTUIGBOUW EN RUIMTEVAART
China is een belangrijke markt voor internationale vliegtuigbouwers.
Diverse internationale vliegtuigproducenten zijn al in China
gevestigd voor de productie van vliegtuigonderdelen.
De ruimtevaart is een prioriteitssector van de overheid en de China
Aerospace Industry Corporation is verantwoordelijk voor de sector.
China hecht veel waarde aan internationale samenwerking en er
bestaan op dit moment veel contacten en samenwerkingsvormen tussen
China en de Verenigde Staten, Australië, Japan en West-Europa.
SCHEEPSBOUW
De scheepsbouw is met meer dan 2000 scheepswerven een belangrijke
sector voor de export. Zes procent van de productie wordt naar het
buitenland verkocht en met de bouw van ca. 4,5 miljoen ton in 2002,
staat China na Zuid-Korea en Japan op de derde plaats van de
wereldranglijst. Dankzij de buitenlandse investeringen worden de
scheepswerven steeds moderner en efficiënter.
De middelgrote en grote scheepswerven liggen vooral in de provincies
Jiangsu, Shanghai, Guangdong en Shandong.
HANDEL
In 2002 importeerde China
voor $295 miljard dollar en exporteerde het voor $325 miljard
dollar. De verandering in de importstructuur ten gevolge van de
hervormingen leidde tot twee keer toe, tot een explosieve groei van
de import uit ontwikkelde industrielanden (m.n. duurzame
consumptieartikelen), wat voor grote tekorten op de Chinese
betalingsbalans zorgde. Inmiddels vertoont deze een overschot van
$30,4 miljard dollar. Wat de export betreft wordt er het meeste geld
verdiend met de export van machines en textiel. De buitenlandse
handel is vooral een zaak van de kustprovincies, met als koploper de
provincie Guangdong.
Tot voor kort waren het vooral de grote staatsbedrijven die de toon
zetten in China’s buitenlandse handel. Tegenwoordig zijn het vooral
de dochterondernemingen van buitenlandse bedrijven die hun aandeel
jaarlijks vergroten. Zij namen in 2002 meer dan de helft van China’s
totale buitenlandse handel voor hun rekening. In de toekomst zullen
steeds meer buitenlandse bedrijven vanwege de goedkope
arbeidskrachten in China neerstrijken.
De belangrijkste handelspartners aan de Chinese grens zijn Rusland,
Mongolië, Vietnam en Noord-Korea. Naar deze landen worden vooral
industriële eindproducten geëxporteerd; ingevoerd worden vooral
grondstoffen.
Handel met Nederland
Sinds de jaren zeventig is de handel tussen China en Nederland
explosief gegroeid. Zo steeg de Nederlandse invoerwaarde uit China
tussen 1995 en 2002 van 1,6 miljard euro tot 8,77 miljard euro. De
Nederlandse uitvoer steeg in dezelfde periode gering, van 0,6
miljard euro tot 1,5 miljard euro. Hierdoor is het handelstekort met
China in korte tijd sterk opgelopen.
Circa driekwart van de Chinese export naar Nederland bestaat uit
fabrikaten, machines, kleding en aanverwante artikelen. De
Nederlandse invoerwaarde van chemische producten, diverse
gefabriceerde goederen en schoeisel nam in 2002 af.
Door de dierenziektes die de afgelopen jaren Nederland geteisterd
hebben, stagneerde de export van vlees- en zuivelproducten.
Positieve bijdragen kwamen van chemische producten, fabrikaten,
machines en vervoersmiddelen.
E-business en internet
De e-business is in China nog niet voldoende technisch ontwikkeld,
met name als het gaat om betalingsveilige transacties. Daarom wordt
er meestal online besteld en bij levering betaald. De
online-winkelverkopen bedroegen eind 2000 ruim 52 miljoen dollar. De
verwachting is dat het gemiddeld transactievolume van e-business in
2005 toegenomen zal zijn tot meer dan 10 miljard dollar per jaar.
In juni 2001 waren er meer dan 600.000 geregistreerde domeinnamen,
238.000 websites en 45.000 online-databases. Het aantal
internetgebruikers bedroeg in juni 2001 ca. 26,5 miljoen, waarvan de
meeste in de grote steden aan de oostkust wonen.
|
Bronnen: China Cambium, 1998
China |
Harper, D. / China Kosmos-Z&K, 2002
Jansen,I. / China |
Knowles, C. / China Van Reemst, 2002
MacDonald, G. / China |
Eijck, F.
Reishandboek China Elmar, 1996 Floor, H. / China Stichting Teleac, 1988 |